Als we Larousse mogen geloven, is de drogist iemand die handel drijft in scheikundige producten.
Aldus vat Larousse de oorspronkelijke activiteit van deze handelaar samen.

Er zijn echter enige navorsingen nodig om een nauwkeurig idee te krijgen van de rol van de drogist-kruidenier-apotheker
die de voorloper van de drogist was.

Reeds in 1740 schreef Savary: «De drogist verkoopt niet enkel alle soorten van farmaceutische drogen, maar ook het zout en de glasas, waarvan de wasserijen zich bedienden voor het wassen van het linnen.» 

 

Volgens sommigen komt het woord van het perzisch "dron" (reuk).
 Het Oosten was inderdaad de grote leverancier van reukwaren.

Anderen denken aan het woord "druge", een Keltisch woord dat "bitter" betekent.

Ten slotte stelt men het Nederlandse woord "droog" voorop, dat het meest aannemelijk lijkt, aangezien Nederland meer dan een eeuw lang de belangrijkste handeldrijvende mogendheid was.

 

De drogisterij heeft een oude en rijke geschiedenis achter de rug. In het oude Griekenland ontdekt men de drogist als een soort van «wortelsnijder» die een « apotheek » openhoudt. Aristofanes maakt er al gewag van in het jaar 423 voor J.-Chr.
Te Athene vervult de «apotheker» een zeer belangrijke taak, zowel op medisch als op huishoudkundig gebied. 

 

Weldra vinden we apotheken te Rome, waar ze de «farmaceutische wetenschap» invoeren. Er waren vier groepen: de bereiders van geneesmiddelen, de verkopers ervan, de herboristen en de drogisten, die enkel aan schilders en parfumeurs verkochten en aldus de ware voorlopers van onze drogisten- verfhandelaars zijn. 

 

In Gallië beschikten de «wonderdokters» over drogen uit het Oosten, maar hun handel werd zorgvuldig door de Druïden in de gaten gehouden. Na de Romeinse bezetting maakte men gebruik van door de Arabieren aangevoerde oosterse producten (van de 9de tot de 11de eeuw). Te dien tijde brachten de reders uit Klein-Azië produkten mee, die ze aan de drogisten leverden. Maar deze handel vergde van laatstgenoemden grote kapitalen, zodat enkel de heren en de Joden er zich mee konden belasten. 

 

Lange tijd hadden de Italianen ter zake het monopolie, maar geleidelijk gingen de Franse steden Champagne en Lyon met hun Jaarbeurzen een voorname plaats innemen. In 1549 besloot de Franse koning Hendrik II dat de havens van Rouan en Marseille, later ook La Rochelle, voor het lossen van drogen open stonden, zonder dat enige invoerbelasting moest worden betaald. Deze drie steden werden al spoedig de grootste centra van de Franse drogisterij. 

 

In de 17de en de 18de eeuw kent deze haar grote bloeitijd. Overal in Frankrijk worden drogisterijen geopend.
Holland, in die tijd een belangrijke zeemogendheid, snapt er de betekenis van en verwerft dra de eerste plaats.
In Frankrijk krijgt de drogisterij haar adelbrieven bij een koninklijk dekreet dat ze van de apotheek losmaakt en ze een eigen plaats geeft. 

 

Omstreeks 1850 richten de drogisten coöperaties en beroepsverenigingen op. 

 

Het beroep wordt geleidelijk een specializering. De mensen beginnen hun woning te schilderen: de drogist levert de verf. Ze willen de wanden behangen: de drogist zorgt voor het behangpapier. En ten slotte zullen de fabrikanten van scheikundige producten zich eveneens tot de drogisten wenden. 

 

Zo staan we wel ver van de Romeinse splasiarii, die enkel de parfumeurs en kunstschilders als klanten hadden.
Maar de drogist is een deskundige gebleven. 

 

Laten we nog aanstippen dat tot kort voor de tweede wereldoorlog de drogist vaak als ambachtsman optrad, aangezien hij verf, was, boenwas, ontvlekkingsmiddelen e.a. zelf bereidde. Thans is daarvan vrijwel geen sprake meer. 

Bij André Thiry, in de Mechelsestraat te Leuven, kunt U nog steeds terecht bij uw drogist (in de ruimere betekenis van het woord),
die zélf zijn producten bereiden kan, voor alle grondstoffen zoals Oliën, Mineralen, Scheikundige producten en andere. 
 


Met dank aan Marcel POLFLIET.

Kleine geschiedenis van de drogisterij..

Sinds


1913

Mechelsestraat  Leuven 
Jules Thiry